| |
|
HEPATITIS A
Deze ziekte kan momenteel voorkomen worden, alhoewel algemene
vaccinatie tot dusver niet aanbevolen wordt.
Omwille van het lage percentage seroprotectie bij de bevolking van de
geïndustrialiseerde landen, wordt de bevolking van westerse landen
steeds kwetsbaarder voor het uitbreken van hepatitis A epidemieën.
In ons land bedraagt
de prevalentie van de seroprotectie 5,4 % bij kinderen van 0 tot 14 jaar,
17,5 % voor de leeftijdsgroep tussen 15 en 24 jaar, 31,7 % tussen 25 en
34 jaar, 60,8 % tussen 35 en 44 jaar, 73,4 % tussen 45 en 54 jaar, 84
% tussen 55 en 64 jaar en 83,2 % bij de senioren {1932}. Naast overdracht
van persoon tot persoon kan dit zeer resistente virus gedurende maanden
in het milieu standhouden en dan de oorzaak zijn van langdurige besmettingen.
Besmet materiaal of voedsel kunnen de oorzaak zijn van grote epidemieën,
soms verspreid over meerdere regionen: op die manier lagen besmette ingevroren
aardbeien aan de basis van een epidemie die zich uitstrekte over verschillende
staten van Noord-Amerika {1803}.
Druggebruikers en homoseksuelen zijn eveneens risicogroepen. De goedaardige
reputatie van hepatitis A komt door haar vaak a- of weinig symptomatisch
karakter wanneer ze op heel jonge leeftijd wordt opgelopen; toch mag de
arts niet uit het oog verliezen dat de symptomatische vormen kunnen gepaard
gaan met een tweefasige en/of fulminante evolutie, die de dood met zich
meebrengt indien de situatie miskend wordt en de patiënt te laat
doorverwezen wordt voor transplantatie {1309, 1897, 1506}.
Hepatitis A zou ook
een apart risico kunnen vormen voor patiënten die aan andere chronische
leverziekten lijden. Zeven van de zeventien chronische dragers van het
virus C, die toekomstgericht gevolgd werden, hebben een fulminante hepatitis
ontwikkeld {1311}. Vaccinatie van patiënten met chronische leverziekte
is wenselijk en proefvaccinaties hebben een respons van 73 tot 83 % aangetoond
{1798}.
Te vaak heeft hepatitis
A de reputatie per se goedaardig te zijn en wordt het potentiële
risico op een ongunstige ontwikkeling tot fulminante hepatitis en overlijden
miskend {1309, 1806}. In geval van hardnekkige geelzucht is er reden om
de synthesefuncties (snel of INR) te volgen en op te letten voor tekens
van encefalopathie.
Bij een Amerikaanse surveillancestudie moesten 13 % van de patiënten
met hepatitis A gehospitaliseerd worden, 0,2 % overleed {1806}. Het risico
van overlijden en van fulminante hepatitis ligt hoger vóór
5 en na 50 jaar (2,7 %). Het hepatitis-A-vaccin heeft zijn efficiëntie
bij secundaire profylaxe getoond. Gegeven aan huishoudelijke contacten
binnen de 8 dagen van de 1ste symptomen, herleidde het de incidentie van
secundaire infectie van 13,3 tot 2,8 %. Er is berekend dat de vaccinatie
van 18 familiale contacten één geval van secundaire hepatitis
A voorkomt {1832}. De combinatie van het A- en B-vaccin wordt gegeven
volgens het schema 0-1-6 maanden, met een respons van 98,8 % (anti HBV)
en 100 % (anti HAV) vanaf de tweede dosis {1933}.
Top
HEPATITIS B
L'Hepatitis B blijft een onderwerp dat grote bezorgdheid veroorzaakt {1506,
760, 776, 790, 364, 1715, 1303}. Algemene vaccinatie is in de EU in 1991
aanvaard en in 1996 heeft het immuunpercentage 86 % bereikt. Toch is een
vijfde van de artsen niet overtuigd van haar belang {1800}.
In de endemische zones is vaccinatie in staat geweest het procent dragers
in de bevolking te verminderen, daarbij inbegrepen niet-gevaccineerde
kinderen en dit door de vermindering van de horizontale transmissie {1811,
1326}. Het gaat hier in feite over het eerste vaccin dat in staat is om
de incidentie van kanker bij kinderen, hepatocarcinoom, te verminderen
{1811, 1326}.
Bij het voldragen kind zorgt de vaccinatie die in de periode onmiddellijk
na de geboorte toegepast wordt voor seroprotectie bij 95 % van de kinderen,
maar bij lichtgewicht premature borelingen ligt het responspercentage
lager en vaccinatie bij laag risico groepen zou moeten uitgesteld worden
tot de kinderen 2 kg wegen of twee maanden oud zijn {1813}.
Het responsgemiddelde bereikte bij premature borelingen na drie vaccindosissen
84 % bij babys van meer dan 1500 gr., tegenover 68 % of minder bij
babys van minder dan 1500 gr. 96 % van de kinderen die geen seroprotectie
bereikten, wogen minder dan 1700 gr. bij de geboorte.
Mislukking van de vaccinatie bij babys van HbsAg positieve moeders
heeft te maken met het positieve HbsAg bij de geboorte, getuige van een
infectie in de uterus, zoals waargenomen in 2,4 % van 665 pasgeboren kinderen
van wie de moeders drager waren {1815}. Ze werden allemaal dragers
Het klassieke vaccinatieschema dat in ons land gebruikt wordt, bedraagt
3 dosissen van het vaccin volgens het schema 0-1-6. Het is nuttig te weten
dat een grotere afstand tussen de dosissen - bijvoorbeeld met een schema
0-12-24 maanden - geen veranderingen teweegbrengt in het beschermingsprocent,
en evenmin in de geometrische percentages van het antilichaam {1931}.
Ondanks de beschikbaarheid
van het vaccin is de prevalentie van hepatitis B niet verminderd in de
EU tussen 1980 en 1994; het aantal nieuwe gevallen wordt op 330 000 per
jaar geschat, waarvan 16 000 tot 18 000 als acute hepatitis worden vermeld
{1795}.
Bovendien wordt de verhoogde incidentie van hepatocarcinoom in de EU toegeschreven
aan het toenemend aantal hepatitis B en C patiënten en aan het feit
dat de patiënten besmet in de jaren 60-70 nu 2 à 3 decennia
van evolutie bereiken {1785, 1784}. Van 610 volwassen patiënten met
chronische hepatitis B bereikte het percentage van ontwikkeling tot cirrose
21 % na 10 jaar en 37 % na 15 jaar en daarbij werd aangetoond dat het
gebruik van alcohol een onafhankelijke factor van evolutie tot cirrose
was {1814}.
Hieruit vloeit voort dat adolescente dragers van het virus zouden moeten
afzien van het gebruik van alcohol, omdat alcoholgebruik kan leiden tot
evolutiepatronen die agressiever zijn bij volwassenen in vergelijking
met kinderen. In dezelfde studie bereikte het ontwikkelingspercentage
tot hepatocarcinoom 5 % op tien jaar en 19 % op 15 jaar {1814}. Het hepatocarcinoom
kan verschijnen buiten de cirrose {1810}.
Bij patiënten die van bij de geboorte geïnfecteerd zijn en bij
chronische dragers van het virus (HbsAg+) bedraagt het risico op het ontwikkelen
van een hepatocarcinoom tijdens hun leven 50 % voor mannen en 20 % voor
vrouwen {1784, 1934}. Het risico stijgt met de duur van de evolutie en
de ernst van de histologische aandoening {1934}.
Studies van de natuurlijke evolutie zijn schaars en bezoedeld door de
gebruikte behandeling. Van 185 mediterrane kinderen die gemiddeld 13 jaar
gevolgd werden, elimineerde 84 % het HbeAg en 6 % het HbsAg. Negen patiënten
recidiveerden , sommigen geïnfecteerd door een precore mutant en
twee (2 %) ontwikkelden een hepatocarcinoom {1816}
Een minderheid van de patiënten van deze studie was besmet vanaf
de geboorte (door HbsAg positieve moeders) en gelijkaardige studies bij
patiënten die besmet zijn vanaf de geboorte blijven noodzakelijk.
Precore mutant virussen coëxisteren met het wilde virus
bij 10 tot 25 procent van de kinderen die drager zijn van een chronische
hepatitis B en dit percentage stijgt tot 39 % na seroconversie Hbe {1512}.
De mutant kan geselecteerd worden door immuniteitsdruk van de gastheer,
wat het hoger percent aan mutanten in later besmette kinderen (65 %) zou
kunnen verklaren, vergeleken met kinderen vanaf de geboorte besmet (37,5
%), die een hogere immuun tolerantie verkregen hebben tegenover het virus
{1512}.
Naast vaccinatie is elke behandeling die het HBV zou kunnen uitroeien
ook in staat om het risico op cirrose en op hepatocarcinoom te doen verdwijnen
{1810}. Een vroegtijdige behandeling zou gunstiger kunnen zijn, indien
zij zou gestart worden voor de integratie van viraal DNA in de meerderheid
van het DNA van de host cel {1785, 1775}.
Een grote multinationale
studie van 144 kinderen werd vanuit verschillende centra door onze dienst
ondernomen om de doeltreffendheid van interferon alfa 2 B te evalueren
voor het bevorderen van verlies van HbeAg bij chronische dragers met verhoogde
transaminasen. De kinderen ontvingen interferon alfa 2 B, 6MU/m²,
3 maal per week gedurende 6 maanden {1303}. Eliminatie van de HbeAg bereikte
26 % van de behandelde kinderen op een jaar en 33 % op 18 maanden, tegen
11 % bij niet behandelde. Verlies van HbeAg werd ook eerder opgemerkt
bij patiënten die behandeld werden met interferon dan bij natuurlijke
seroconverteerders.
Bovendien ontwikkelen tien procent van de behandelde patiënten een
seroconversie voor HBs, tegenover 1 % van de controle patiënten.
Transaminasen werden normaal en lever histologie verbeterde bij responders.
Volgens deze gegevens en aangenomen dat de analyse die gevoerd werd bij
jonge volwassenen ook van toepassing is bij kinderen, zou behandeling
met interferon in staat zijn de levensverwachting te doen stijgen, de
ziektekosten te doen dalen en misschien ook de complicaties van hepatocarcinoom
{1810, 1784}.
Naast Interferon is Lamivudine momenteel een van de meest veelbelovende
behandelingen van chronische hepatitis B {1597}. In het eerste onderzoek
dat gedaan werd bij volwassen Chinese patiënten maakte de eenmalige
dosis van 100 mg/dag het mogelijk snel de virale replicatie te remmen
en verlies van het HbeAg op een jaar te bevorderen bij 16 % tegen 4 %
bij de controle patiënten. De gemiddelde normalisering der transaminasen
bereikte 72 % tegenover 24 % in de placebo groep. De necroinflammatoire
score van de lever verbeterde bij 56 % van de behandelde patiënten
versus 25 % van de placebo patiënten.
Genotypische mutaties (YMDD): Niettemin kan een gemuteerd
virus, kort geleden variant herdoopt, bij 14 % van de patiënten
en niet bij de placebo patiënten verschijnen na een jaar behandeling
{1597, 1599}. Dit virusvariant zou eigenlijk als minderheidssoort aanwezig
zijn vóór de behandeling en zou door de behandeling geselecteerd
worden {1811}.
YMDD mutanten zijn Lamivudine resistent en zouden moeten verdacht worden
bij recidiverende virale replicatie tijdens de behandeling. De medicijn
wordt momenteel hoofdzakelijk gebruikt om recidiverende hepatitis B na
levertransplantatie te vermijden. Het opduiken van genetische mutanten
is vooral mogelijk bij patiënten met een hoge virale last vóór
de behandeling. Deze patiënten hebben waarschijnlijk al eerder bestaande
resistente virussen als een minderheidsspecies vóór de blootstelling
aan Lamuvidine.
Niet lang geleden heeft een onderzoek dat uitgevoerd werd in de Verenigde
Staten bevestigd dat 32 % van de patiënten na een jaar behandeling
het antigeen e elimineren tegenover 11 % in de controlegroep. Vier maanden
na het einde van de behandeling zijn 29 % van de patiënten HbeAg
negatief versus 15 % van de controlegroep. De seroconversie e (opduiken
van het antilichaam HBe) 4 maanden na het einde van de behandeling haalt
17 % versus 9 % voor de controlegroep. Een histologische verbetering wordt
opgemerkt bij 52 % van de behandelde patiënten en bij 23 % van de
controlegroep {1925}.
Lamivudine wordt in het bijzonder gebruikt bij de voorbereiding van een
levertransplantatie en zorgt in het algemeen voor een stabilisering, ja
zelfs voor een klinische verbetering. Na de transplantatie voorkomt lamivudine
het recidief van de virale infectie, en het opduiken van virusvarianten
die bij de patiënten verbonden zijn aan een verhoogde virale last
van voor de behandeling {1811}.
Een farmacokinetisch onderzoek bij kinderen heeft toegelaten de nuttige
dosis te bepalen op 3 mg/kg; de dosis voor volwassenen wordt toegediend
vanaf 12 jaar {1677, 1896}. Momenteel loopt een onderzoek over de doeltreffendheid
op lange termijn bij kinderen.
Top
L'HEPATITIS C
La tHepatitis-C-virusinfectie
komt relatief gezien niet zo vaak voor bij kinderen als bij volwassenen
omdat de transmissie vooral parenteraal is; kinderen worden niet zo vaak
blootgesteld aan transfusie, drugmisbruik en andere percutane wegen. Het
grootste deel is geïnfecteerd door transfusies of bloedderivaten
voor 1990.
Ondanks de relatieve ondoeltreffendheid is verticale transmissie inderdaad
de belangrijkste bron van besmetting bij kinderen en de oorzaak van 90
% van de gevallen die na 1990 zijn opgedoken, terwijl voordien transfusies
in 54 % van de gevallen verantwoordelijk waren {1822}. Bijna de helft
van de moeders hadden injecties gekregen of gebruikten verdovende middelen.
Zodoende wordt het intraveneuze druggebruik van de moeders de belangrijkste
infectiebron van kinderen in Europa {1822}. Het is derhalve aanbevolen
de kinderen te testen van moeders die HCV positief zijn of het risico
lopen op hepatitis C door bijvoorbeeld intraveneus druggebruik, transfusies
van voor de systematische opsporing of hemodialyse {1823, 1836}.
Het transmissiegemiddelde van besmette moeder naar kind benadert 3 %,
nul bij afwezigheid van virus bij de moeder en 5 % bij aanwezigheid van
virale RNA op het moment van de bevalling {1602}.
Borstvoeding verhoogt algemeen gezien het risico op transmissie niet,
maar wordt toch afgeraden, want ze zou de infectie kunnen overdragen in
geval van verhoogde virale lading bij de moeder (immuunonderdrukker);
ze wordt ook ontraden wanneer de hepatitis van de moeder symptomatisch
is {1602, 1818}. De hoogte van de virale lading kan het risico op verticale
transmissie beïnvloeden en de virale lading zou kunnen stijgen tegen
het einde van de zwangerschap {1819}. Coïnfectie door het HIV-virus
verhoogt het risico op infectie met 7,5 tot 40 % {1820, 1821, 1936}.
Op het domein van de levertransplantatie is infectie door het transplantaat
bij 11 % van de patiënten ontdekt die voor 1990 een transplantatie
ondergaan hadden, chronische hepatitis en vaak cirrose was het gevolg
in de jaren die volgden op de transplantatie.
Sedert het invoeren van de systematische detectie hebben we geen infecties
via transplantatie meer ervaren hoewel sommigen nog een incidentie van
4 % melden {759, 1823, 1824}. De behandeling met interferon na transplantatie
heeft zijn nut niet bewezen en zou zelfs afstoting en leverinsufficiëntie
kunnen uitlokken met als gevolg overlijden bij 23 % (4/11) van de behandelde
patiënten. Voor 1990 is een gelijkaardige incidentie (14,6 %) van
hepatitis C waargenomen na hartchirurgie op heel jonge leeftijd {1930}.
Wegens de relatieve zeldzaamheid van deze kwaal bij kinderen blijven studies
van de natuurlijke historie ontoereikend. Er bestaat ook geen studie over
de doeltreffendheid van behandelingen op grote schaal {1817}. Onlangs
zijn bemoedigende gegevens gepubliceerd, die een relatieve goede lange
termijn prognose aantonen voor kinderen die heel jong geïnfecteerd
zijn door multitransfusie.
Tussen 12 en 27 jaar na de interventie had 45 % van de patiënten
met serologie HCV positief geen detecteerbare virus in het serum. Tussen
de kinderen die positief waren voor HCV RNA (55 %) was er een enkel met
verhoogde transaminasen, misschien door een congestieve cardiopathie.
Drie van de 17 patiënten op wie een biopsie werd gedaan, vertonen
progressieve histologische letsels, voor alle drie was misschien een andere
pathologie verantwoordelijk.
Deze hartpatiënten waren geen immuunonderdrukkers, in tegendeel,
het waren kinderen die een transplantatie ondergaan hadden of aan een
kwaadaardige pathologie geleden hadden {1930}. Hepatitis C vertoont meestal
een goedaardige evolutie in de kindertijd, maar de neiging tot chronisch
karakter gedurende decennia riskeert te evolueren tot cirrose en hepatocarcinoom.
Zo een evolutie valt te vrezen bij ± 20 % van de patiënten
terwijl 15 % spontaan geneest en 25 % een goedaardige evolutie behouden
{1844}.
Voor evoluerende patiënten zijn behandelingsmethoden uitgeprobeerd
zowel bij kinderen als bij volwassenen. Door het gebruik van alleen interferon
(3 MU/m² 3x/week gedurende 6 maanden) wordt bij 19 % van de patiënten
een remissie bereikt, met inbegrip van normalisering van de enzymen en
opruiming van het virale RNA {1827}.
Anderen hebben minder bemoedigende resultaten bereikt met een definitief
genezingsprocent van minder dan 10 % {1596}. Men heeft momenteel bij volwassenen
vastgesteld dat een behandeling met Interferon en Ribavirin te samen (25
mg/kg/dag) en een langere behandelingsperiode (van 6 maanden tot een jaar)
bij machte zijn om het responsgemiddelde aanmerkelijk te verbeteren: het
duurzame (6 maanden na het einde van de behandeling) responsgemiddelde
haalt 30 % tegen 13 % voor interferon alleen. Deze gecombineerde behandeling
heeft eveneens zijn doeltreffendheid gedemonstreerd bij patiënten
die hervallen zijn na behandeling met alleen interferon: 48 % respons
tegenover 8 % voor een nieuwe behandeling met interferon alleen {1782}.
In dit stadium gebruiken we gecombineerde behandelingen voor kinderen
bij wie de hepatitis bijzonder agressief is op biochemisch en histologisch
vlak.
LINK
Voor meer informatie: : http://www.pediatrie.be
- Service de pédiatrie générale , Université Catholique de Louvain, cliniques
St Luc -
Top
Back
|
|
|