|
|
|
Algemeenheden De mens kan door het humaan CMV besmet worden, maar niet door de CMV van andere diersoorten. Contact met infectieuze secreties, zoals speeksel, tranen, urine, faeces, bloed, sperma of moedermelk, is nodig voor de transmissie van het virus. De hoogste incidentie komt voor tijdens het eerste levensjaar. In de Westerse landen stijgt de prevalentie elke tien jaar met 10%, eindigend met een prevalentie van 30% bij de oudere mensen. Het virus wordt langs de urine- en luchtwegen uitgescheiden.
|